Teksten

REDERIJKERIJEN


MARIKEN VAN NIEUMEGHEN

 

Want rethorijcke wilt ghehoort ende verstaen zijn;

dus en laet van (vanwege) couten gheen vermaen (berisping) zijn.

O Rethorijcke, auctentijcke (echte), conste lieflijcke

Ic claghe (beklaag) met wanhaeghe, die di eerst maecte (u boven alles achtte),

Datmen (omdat) die haet,

Ende versmaet;

Den sinnen (geesten = zij) die u beminnen vallet seer grieffelijc (pijnlijk)

Hem tfi die di dongheraecte (foei degene die u als een botterik)

Geen gade en slaet (verwaarloost)

Tfi, sulcken daet

Ick puer (volstrekt) versmade.

Maer al eest scade (jammer)

Ende let hem alleene die (voor allen die) dit aenhoren,

Door donconstighe (knoeiers) gaet conste verloren.

Const maect jonste (kunst maakt bemind), steltmen in een parabele (spreuk);

Voer fabele houdic dat woerdt (zegswijze) ende niet waer.

Laet daer een constenaer comen notable (voortreffelijk),

Donable (de onabele, de onbekwame), van consten niet wetende een haer,

Sal claer (dadelijk) ghehoort zijn hier ende over al,

Welnaer (haast) sal dye constighe van armoede versmoren (omkomen),

Vercoren es die loeftutere (loftuiter) alles (het hele) jaer,

Maer emmer (toch), al hebbens die selcke thoren (hoe het sommigen ook spijt)

Door donconstighe gaet die conste verloren.

 

ANTHONIS DE ROOVERE

 

SOTTE AMOUREUSHEYT

Ick heete Pantken, mijn lief : Pampoeseken,

Dat gheerne een croeseken

Licht met vrueghden daert niet en gheeft.

Ghy en saecht ten daghen noyt blijder droeseken !

Alst appelmoeseken Sijn buycxken al vol gheten heeft,

Ick mindse soe, dat mijn herte beeft.

Godt wilse vercnapen,

Want alle de sorghe die in haer cleeft,

Dats eten en slapen (Men schreve niet in ses vellen van schapen) !

Als ick haer wille een pintken schincken,

Hoe vriendelijck dat haer ooghskens pincken.

Tis in mijn herte een dyamantken,

Ende huer callantken,

Ben ick, eenpaerlijck, sonder vercoelen.

Als ick met haer drincke een quantken:

'God loondtse, Pantken,'

Seydt sy gheringhe, dats blijde ghevoelen.

'Pampoeseken', seg ick, 'voor al mijn boelen

Hebtstu proper sede'

Dan seegste: 'Pantken, laet staen dijn loelen,

Du foolster mede !'

Dan lachste met rechter minnelijkchede.

Men soudes nemmermeer voldincken,

Hoe vriendelijck dat haer ooghskens pincken.

Sy gaet met eenen bruynen coocxkene,

Ende vanden roocxkene

Soe zijn haer handekens peper wit,

Haer mondeken dat rieckt vanden loocxkene;

Van haren gesproocxkene

Sie is ontsteken mijnre herten pit

Waer Paesschen hier, door minnen verhit

Wy houweden ghereedt.

Ende als ick haer wille verclaren dit,

Lachste duymen breedt !

Hy en leeft niet, die ten vollen weet,

Als ick segghe : 'Pampoeseken, ghaen wy drincken,'

Hoe vriendelijck dat haer ooghskens quincken.

Prinsche

Ghelijcke treckt tot ghelijcken;

Natuere can selden haer helden mincken.

Ick en liete u nemmermeer vol gheblijcken,

Hoe vriendelijck dat haer ooghskens quincken.

VANDER MOLLEN FEESTE

Hoordt, ghy goede lieden al ghemeyne, edele, onedele, aerme ende rijcke,

Ghy zijnt ontboden, groot ende cleyne,

Te trecken in een andere wijcke.

Hy is uutghesonden met zijnder pijcke,

Des opperste Prinsche messagier,

Maeckt u ghereedt alle ghelijcke:

Ghy en meucht niet langher blijven hier.

Al in dat landschap vanden mollen

Moet ghy trecken sonder waen.

Al wildy daer teghen strijen of grollen,

Ten mach u helpen niet een spaen,

Als de bode coemt, tis ghedaen;

Hoe jocnk, hoe schoone, hoe vroom, hoe wijs:

Als dopperste ghebiedt, soe moet ghy gaen

Trecken int landt van mollengijs.

Der mollen Heere, dopperste Prins,

Die de mol schiep, de blinde beeste,

Heeft ontboden hier ende ghins

Onder tvolck minste ende meeste,

Dat sy commen te molle feeste,

Daer sy hof houden onder deerde

Als dlichaem sal scheeden vanden gheeste,

Salmen elck dienen naar weerde.

De Paus ende zijn Cardinalen

Moeten alle tdeser feeste sijn;

Legaten, Bisschoppen, Dekens, Officialen,

Prochiepape, Prediciaire, Jacopijn ?

Freerminueren, Vrouenbruers ende Augustijn,

Priesters, Clercken ende Meester wijs,

Dese moeten binnen corten termijn

Trecken ter feesten te mollengijs.

Saertroosen, Monnicken, Regulieren,

Bogaerden, Lollaerden ende Cluysenaeren,

Fratres, wilt u ghereeden schiere;

Nonnen, Baghijnen, wilt mede varen;

Clopsusters, Susters, Bedelaren,

Ende alle die leven nae den gheeste,

Maeckt u bereedt sonder sparen;

Ghy moet al trecken ter mollen feeste.

Keysers, Coninghen, Hertoghen,

Graven, Baenrotsen, Ridders ende Jonckheeren,

Ende voort alle rijcke van haven,

Wilt u tallen duechden keeren,

Want den wegh die moetty leeren

Ter feesten te commene te mollengijs.

Maectu ghereet, dat ghy met eeren,

Daer muecht ontfanghen lof ende prijs.

Canceliers, Ballious ende Souvereyns,

Schoutetens, Amptmans ende Dienaren,

Schepenen, Meyers ende Castelleyns,

Ontfanghers, Rentmeesters ende Wisselaren,

Hoofmeesters, die de salen bewaren,

Portiers, Cockx, smaeckt wel ten keeste !

Ende die edele Zeeman moet varen

Met zijnen schepen ter mollenfeeste.

Ghy machtige Poorters ende Bourgoys,

Ghy rijcke Pachters ende Rentieren,

Al zijn u solders vol corens, vol hoys,

U kisten vol ghelts, ende u fortchieren,

Ghy rijcke Cooplieden ende Drapenieren,

Al zyn u kisten vol meerssen, vol wollen,

Ghy sult oock moeten trecken logieren

In dat landschap vanden mollen.

De Coninck der mollen heeft doen ontbieden

Met zijnen bode stijf ende sterck

Al teenenmale de Ambachts lieden,

Dat sy oock moeten laten werck.

Dus rade ick elcken, dat hy neme merck

Om goede herberghe ende logijs,

Want claer gheseyt : ghy moet int perck

Ter feesten commen van mollengijs.

Der mollen Coninck heeft doen vermanen

Alle jonghe ghesellen fijn,

Met corte keerels, met langhe palanen

Aen haer schoen ende aen haer pattijn;

Voort alle stortstekers, wie sy zijn,

Legt af u sweerden, u walsche dollen,

Want ghy moet eer lanck termijn

Trecken int landschap vanden mollen.

Selden is volmaect de feeste

Daer vrouwen ghebreken ofte jonckvrouwen,

Dies zijnse ontboden, minste ende meeste,

Ter mollen feeste in goeder trouwen.

Langhe sleypsteerten ofte bonte mouwen

Noch tuyten en dorven sy hebben twint.

De mollen die daer haer feeste houwen,

Sy en soudent niet sien, sy sijn al blindt.

Deze meyskens zijn oock alle ghedaecht,

Die te vastenavonde pipers hueren,

Eest dientsbode, voestre ofte maecht,

Die haer voeten te dansene rueren.

Deze moeten wech in corter uren,

Hoe jonck sy sijn, hoe blijde van gheeste,

Dit danssen, dit reyen mach hier niet dueren:

Ghy moet ghaen danssen ter mollen feeste

ANNA BIJNS


HEERE, HEBT GHY...

 

Heere, hebt ghy u kercke gheheel vergheten ?

Inden afgront der droefheyt geheel verswolgen,

Roepen wy om hulpe, ghenadighe Heere,

Teghen de gheene, die u kercke vervolghen.

O Heere, al hebben wy u verbolghen,

U ghenadighe ooghen wildt tonswaert keeren,

Want veel vossen en wolven, in schapen cleeren,

Sijn in u coeye subtijelijck ghebroken,

Van wien veel blasphemien tuwer oneeren,

Teghen u en sancten werdt ghesproken.

Siet ghy niet, Heere, zijn u ooghen gheloken,

Hoe dat dees vossen uwen wijngaerdt vertrapen ?

Sult ghy noch langhe laten onghewroken

Dees grypende wolven verslinden u schapen ?

Visiteerdt u cudde, want de wachters slapen,

Oft anders u schaepkens werden verbeten.

Wij roepen, als die naer u ghenaden gapen :

Heere, hebt ghy u kercke gheheel vergheten ?

Als in Egipten tvolck van Israel Seer werdt verdruckt vanden heydensen honden,

Al waren sy dicwil teghen u rebel,

Nochtans hebt ghy hen, want u deerde haer ghequel,

Moysen tot eenen verlosser ghesonden.

Josue, Judicum, Regum claer orconden,

Als de heydenen volck op Israel brochten,

Behoevende hulpe, hebben syse vonden,

Als sijt met berouwe aen u versochten.

Ghy sondt hen capiteyns, die voor hen vochten.

Sult ghy u bruydt inder noodt dan laten,

Die de heydenen niet meer quellen en mochten,

Dan ketters en doen, die de waerheyt haten ?

Den Machabeen quaempt ghij oic dicwil te baten

Teghen de heydenen, rondt om hen gheseten.

Es u Christen volck nu vanu verwaten ?

Heere, hebt ghy u kercke gheheel vergheten ?

Noeyt en voeren sy wel int oudt testament,

Die uwen tempel onteerden.

Tbleeck aent bedrijf Van Nichanor, den hooveerdighen vent,

Die den tempel dreyghde, daer sijnde ontrent;

U wrake quam haestelijck over den catijf.

Heliodorus creech oock vol gheesselen tlijf,

Die den schat des tempels wilde wech draghen.

Antiochum raeckte u handt ooc stijf;

Ghy liet hem de wormen levende duercnaghen.

Osa viel doot, daert veel mensen saghen,

Die nochtans darcke onverhoets aentaste.

Nabugodonosor ghinck niet vry van plaghen,

En Baltasar, daer hij met sijn boelen braste,

Uuten vaten des tempels dronck, soot hem paste,

Inder selver nacht werdt hy doot ghesmeten.

Wat gheschieter nu al en God lijdet vaste !

Heere, hebt ghy ukercke gheheel vergheten ?

Hoe compt dat ghy nu gheen weerstant en doet

Den gheenen, die u dienaers bedroeven,

Die vaten stelen, daer u vleesch en u bloet

In werdt ghetracteert, kercken en cloosters goet

Rooven en verteeren met hoeren en boeven ?

Laet hen Heliodorus' gheesselen proeven,

Datse niet een vel aen haer lijf en houwen,

Op dat andere, diese soe saghen toeven,

Mochten leeren sghelijcx te doene schouwen.

O Heere, zijn u de belooften berouwen,

Die ghij Petro deedt, wiltse ghedincken;

Want in u woordt hebben wij betrouwen,

Dat ghy tscheepken niet en sult laten verdrincken,

Hoe de ketters, die als bocken stincken,

Haer hoornen daer teghen te setten vermeten;

Het helt nu, schijnende oft soude sincken,

Heere, hebt ghy u kercke gheheel vergheten ?

O Heere, ghy latet nu al om wroeten,

Dat in gheset is duer uus gheest beraden,

U sacramenten werpen onder de voeten,

U prijsweerdighe moeder, niet om versoeten,

Blasphemeren en al u sancten versmaden.

Ghy laet de ketters, vol onghenaden,

Haer boosheyt metten Evangelie decken;

Ghy laet de goede verdrucken vanden quaden

Dat niemant en mach duecht doen sonder begecken.

Wilt Ambrosium, Augustinum verwecken

En laet Hieronimum comen ter banen,

Doet Chrisostomum tharnasch aen trecken

En Athanasium oprechten u vanen

Teghen de ketters, die op steken haer granen

Contrarie Gods woordt, als Baals propheten.

Wij roepen tot u uut dit dal der tranen :

Heere, hebt ghy u kercke gheheel vergheten ?

Prince, boven alle gouvernanten,

Daer alle potentaten voormoeten beven,

Sendt ons vierighe, oprechte predicanten,

Die u godlijck woordt saeyen en planten

En tgheene, dat sij leeren, eerst selve beleven.

Wilt ons herders naer u herte gheven,

Die wij in u weghen moghen volghen opt spuer,

Soe dat uut kerstenrijck mach werden verdreven

Twist, discentie ende alle erreur,

Op dat de kercke mach comen in haren fluer,

Alsoo sij was int eerste beghinnen,

Dat ons conversatie duer den soeten guer

Dongheloovighe mach trecken tot uwer minnen.

En laet u aerm schaepkens niet verwinnen

Vanden bocken, die sijn vander kercken ghespleten.

Wij roepen tot u met droeven sinnen,

Heere, hebt ghy u kercke gheheel vergheten

 

MATTHIJS DE CASTELEIN


DIVERSE LIEDEKENS

 

Schoon lief, hoe valdy my dus obstinaet ?

Daer ick dy minne met herte vry

My zelven en weet ick nu gheenen raet

Dijn zinnen zijn elders dan tot my

Dies derf ic, laes, der vreuchden cry

Als ghy op eenen anderen ziet :

Want als minnic u, ghy en mint my niet.

Dicwils ben ick inden gheest wech gevoerd,

Mijns sellefs werdick dus zeer ontcond :

Al mijn vijf zinnen maeckt ghy dan beroerd

Vul fantasien tot alder stond.

Schoon lief dit doet dijn rooden mond,

Ick claeghe Cupido die my dit riet :

Want als minnic u, ghy en mint mij niet.

De schoon vrau Venus die dy heeft ghemaect

Ende u dijn edel wesen gaf

Hoe lietse dy dus troosteloos gheraect ?

Naer dijn zuiver leucht ghy valt te straf :

Dus lief gheeft troost, curt commes af :

Maer laes ghy en zult wat mijn gheschiet :

Want als minnic u, ghy en mint my niet.

Hiet met adieu mijn schoon Princesse jent,

Waren dijn oochskins verlicht soo claer,

Dat ghy in dijn hert saecht al mijn torment

Mijn pijn waer minder weet ick voor waer,

Ducht en gheen hope volcht my naer.

Die zinghe ick eylaes dit drukich liet :

Want als minnic u, ghy en mint my niet

DE GOUBLOEM


Koninklijke Rederijkerskamer

 

CONTACTADRES

 

Adres: Nieuwe Rolleweg 52, 1800 Vilvoorde

Email: info@degoubloem.be

Mobiel: 0475 910 383

KOMENDE ACTIVITEITEN

 

  • Vilvaudeville
  • De klucht der vergissingen
  • Ommegang Brussel
  • Pension van lichte zeden

Officiële website van de Koninklijke Rederijkerskamer De Goubloem vzw

0445.740.239 - BE65 4347 2554 0196 - KREDBEBB

Jon Igartua y Porres, Nieuwe Rolleweg 52, 1800 Vilvoorde - 0475 91 03 83

facebook - mail - web - webmaster - privacy

© Copyright. Alle rechten voorbehouden. Webdesign: Ongi Etorri