Lyriek


Beterd bee

man en

wijf

Vreest hu

voor telsche

vier

Beschudt

ziele ende

lijf

Die pooght

naar thelsch

dangier

Ghy moedt

zeer curts

van hier

Deesbly-

schap moet

ghy deerven

De dood

besprijnghd

u schier

Peinst ghy

zult moeten

steerven



Die zondigt

telker

spacie

Wacht hu

voor deeu-

wigh blaken

Naar dees

eerdsche

lammatie

Droufheid

zal dy

ghenaken

Ghedijnckt

up tcas van

wraken

Hu naeckt

een ander

deel

Wee, die

Gods wet

verbraken

Daer en

wert gheen

appeel



Broosch,

snood, ende

keitijf

Ghy beydt

de dood

onghier

Ghi en hebd

hier gheen

blijf

Beterd hu

valsch

bestier

En weest

dogh niet

zo fier

Coopt hier

des hemels

eerven

Hoe quaed

hoe

buterbier

Elck moet

doordeel

verweerven



Hoopt op

Gods groote

gracie

Wat djinge

waent ghy

maken

Zouckt

elders

habitatie

Dijn leven

zal

dy laken

Ghy moedt

de dood

ghesmaken

Ontsiet

tgemeen

morseel

Tsijn hier

al broosche

staken

Int tswee-

relds schoon

casteel

Haec

est

domus

ultima

Tendimus

huc

omnes

Ontvlied

dees

recreatie

Laet

weldaed dy

gheraken

Pooght om

Gods hoog-

ste statie

Anxt

sal op hu

becraken

Wild dees

ghenoughte

slaken

Warhaeghd

dit eerdsch

tenneel

Mijdt hu

van

idel zaken

Hier en

blijft niet

gheheel



Laedt dy

dees vrueght

verleeden

Wacht op

Gods grooten

toren

Met deughd

wild hu

vercleeden

Wacht u

voor thelsch

verstoren

Als zidy

hooghe

gheboren

Als es dijn

schoonheid

groot

De dood

zait al

versmoren

Tsy

precieus oft

snoot



Ghi en hebd

hier gheen

statie

Laedt u ter

dood

niet vaken

Curt werdt

hier u

fundatie

Versaeckt

dees helsche

draken

Ter deught

steld al dijn

haken

Scheurd

tsweerelds

loos riveel

Ghy moedt

tot Gode

waken

Als schijnd

ghi frisch

iuweel



Ghi moedt

van hier

verscheeden

Die quaed

doet werdt

verloren

Ghi muegd

hu wel

bereeden

Met die

God

toebehoren

Ghy werdt

hier naer

vercoren

Ontgeed

tviands

exploot

Ick seghd u

van te

voren

Dijnckt om

die

bitter dood


REDERIJKERIJEN


HET REFREIN

 

De meest bekende dichtvorm is wellicht het refrein of de ballade. De ballade met het bekende refrein (ook wel stock of envoie genoemd) zou van Italiaanse afkomst zijn en verband houden met ballare, wat dansen betekent. Doch in de Nederlandse literatuur heeft het nog maar weinig met dansen of een danslied te maken. De dichtvorm zelf is wellicht vanuit Frankrijk naar de Nederlanden overgewaaid. François Villon was één van de Franse grootmeesters in dit genre. In de Nederlanden is dit wellicht Anthonis de Roovere.

 

Er zijn ook heel wat anonieme refreinen. Deze werden, meestal na de dood van de auteur, verzameld en gebundeld. Zo is er de bundel Refreynen int sot, amoureus, wijs dat omstreeks 1529 in Antwerpen uitgegeven werd, en de Refereynenbundel van Jan van Stijevoort uit 1524, die een verzameling biedt van refreinen van hemzelf en van andere, meestal anonieme auteurs.

 

Een refrein telt 4 strofes van 8 tot 24 versregels. Aan het einde van elke strofe wordt het thema of de hoofdgedachte van het gedicht in 1 vers samengevat. Dit heet de stockregel of stockvers. De laatste strofe wordt opgedragen aan de Prince of beschermheer van de Kamer en wordt als dusdanig ook Prince genoemd.

 

In de sotte refreinen wordt veelal de draak gestoken met de verscheidene standen in de samenleving. Vooral de geleerden, de drinkebroers, de verliefden, de geestelijkheid en de gierigaards moesten het hierin ontgelden. Een refrein in het sotte over een nonneke dat door de andere zusters aangespoord wordt om over de vlaskam te springen en op haar achterste valt. De buitenstaanders zouden eens moeten weten wat voor een gekke kuren er achter de muren van het slotklooster gebeuren.

 

Hierin vormen de moraliserende en maatschappij-kritische beschouwingen de hoofdmoot. Ze sporen aan tot een nadenken over de manier van leven en verwittigen ervoor dat men zuiver moet leven om in het hiernamaals een aangenaam leven te hebben. Ook wordt heel wat kritiek gegeven op het opkomende Lutheranisme en het Calvinisme. Een voorbeeld hiervan vinden we bij de behandeling van Anna Bijns als auteur.- refreinen in 't amoureus. Voor een voorbeeld verwijzen naar het refrein over Pampoesken van Anthonis de Roovere (bij de behandeling als auteur).

 

Refereyn van Berouwe (Anthonis de Roovere)

 

Ontfermhertichste (barmhartigste) here, die noit genadeloos,

En waert, zijt, noch - hope ic - werden en sult (worden zult),

Vertroost mijn siele, nu wesende radeloos,

Dat sy by u mach commen schadeloos (ongeschonden).

 

Tsvyandts tempteren mij laes heeft verdult. (De bekoring van de vijand helaas, heeft mij verdwaasd)

Wyene wil ickt wijten ?

Tis al mijn schult.

By sober wysheyt (geringe wijsheid) veel sonden bedreven;

Met hen die duecht deden, ghegheckt (voor de gek gehouden, gespot), ghedrult;

Met sondighen aze (Met zondig voedsel) mijn lijf ghevult.

My beroudt soe hertelijck (van harte) mijn sondich leven.

 

Hebt ghy oydt, goddelycke consistorie (goddelijke wijsheid),

Bemint (ter harte genomen) de salicheyt van manne, van wijve,

Oft wijsheyt gegheven der suyverlijcker memorie (aan het zuivere gemoed):

Seyndt my wijheyt (zend mij dan ook wijsheid) uut uwer glorie,

Dat doch mijn siele (opdat toch mijn ziel) behouden blijve

Wanneer si scheyden moeten uuten lijve.

 

Ontfermhertichste ontfermherticheit, wilste aencleven (niet in de steek laten),

Als gheneselijckste confectie (als genezend, versterkend medicijn) confortatijve,

Niet vonnissende naer mijn wercx bedrijve (Mijn handelingen).

My beroudt soe hertelijck mijn sondich leven.

O passie, o doodt, o bloedighe wonden,

Hebt ghy uut uwer vaderlijcker herten vry (voorwaar)

 

Den publicaen (tollenaar) gegheven, so scriftueren oirconden (volgens de schrift),

Ontfermticheyt, midts dberou in hem bevonden (omdat gij in hem berouw vond):

Hoe sult ghi dan ontfermherticheyt weygheren my ?

My dunckt, o Heere, en ick blijver by:

Is in my tmisdoen, in u is tvergheven;

Ick en ben niet meer een steen dan sy (ik ben niet meer steen dan zij (tollenaars)).

 

Ontfermt mijns dan, meer is in dy (Over mij/er is nog barmhartigheid in u).

My beroudt soe hertelijck mijn sondich leven.

O Prinche, al heb ick te menighen tijden

Mijnre sielen salicheyt ghestelt bezijden (de zaligheid van mijn ziel opzij gezet),

Ende in een groot perijckele (gevaar) ghedreven,

My beroudt soe hertelijck mijn sondich leven.

 

Refrein in 't Sot (Anna Bijns)

 

Veel susterkens, in haer hekelhuijs versaempt,

Daer uut genuechten bedreven ragie,

Maer daer was eene, zeer devoot befaempt,

Die sette seer stichtelijck haer visagie.

Wat dou zyden dander, noeyt zwaerder pagie,

Zeldy ooc als wij niet vruecht bedrijven ?

Ons en dient hier geen stomme personagie.

Dus oppe en helpt ons solaes verstijven,

Ons mater en zal ons nu niet bekijven.

Slechts, sprack tsusterken, in zelcken cluyte

En sal ic mij, hoopic nemmermer ontgaen;

Al zijn wij hier besloten in de muyte

 

Twaer misselijck wie hoore dit vermaen.

Dus susterkens, ten docht mij niet bestaen;

Vernaempt dweerlijck volck, het souder me sotten.

Werdt hier zelcken ontstichticheyt van ons gedaen,

Men souder teewigen dage me spotten.

Al mocht icker me winnen twee lolle potten,

Die schoonste die men vindt, ic en zoudt niet volbringen.

Springt over, zyden dander, het zal wel hotten,

Ghij en mueght doch tegen ons niet verdingen;

Uut vruechden wilt over de hekel springen.

Ten is geen wonder dat ik tspringen vertrecke.

 

Sprack tsusterken, ic weet wel waert mij let;

Want mistic den voet, noeyt aerger kecke,

Ic viel in de hekel, och waer liet ic mijn set ?

Dus susterkens, al haddijt al tsamen gewet,

Ic en sal niet springen; dus hebbic patientie.

Al waer ic van zonden noch zoo zeer besmet,

Met sette mij nauwe dees penitentie.

Ic biddu, en maect hier af geen mentie:

Want vielic, ic moester mijn handen om wringen.

Ic hielt mij noch liever een maent silentie.

Neen, sprakense, ghij en selt ons soo niet dwingen;

Uut vrueghden wilt over de hekel springen.

 

Dit susterken was soo deerlijc belaeyen.

Herover, her over, spraken al de beghijnen.

Wat dou, dachtse, sal dit volck aldus staen craeyen ?

Ic sal mij moeten te springen pijnen.

Nochtans liet ickt mij costen bey mijn plattijnen,

Dat een ander dwerck voor mij wilde beginnen. Van vreesen moet alle mijn vruecht verdwijnen.

Es dit genuechte ?

Ic zou liever spinnen.

Ic wil gaen springen en rueren mijn vinnen,

Want mij dunckt, dees susters zelen mij ringen.

Met dien spranckser over met cloecken sinnen.

Dan riepen zij alle, die daer saten en gingen :

Met vruechden wildt over de hekel springen.

 

Prince

Tsusterken en hadts zoo niet gemickt.

Zij waender den eers te laten met allen.

Het compt somtijts beeter dant werd geschickt;

Dus eest desen susterken ooc gevallen.

Al latent de cloosterlien somtijts wat mallen,

Daer op en wilt niet beenen oft cnaghen,

Gelijck clapaerts dien, die van elcken callen;

En twaer beter, dat zij hem selven besagen.

Hoe zouden sij de zwaerheyt der oordenen verdragen,

Zouder niet wat vruechden onder mingen ?

Men moet alternet de fantasijen veriagen,

Al soumen over de hekel springen.

 

HET RONDEEL


 

Ook het rondeel was heel populair.

 

Het is opgebouwd uit één strofe van 8 versregels waarbij de regels 1-4-7 aan elkaar gelijk zijn en ook de regels 2 en 8. Vooral het drinkrondeel was zeer in.

 

Een ander voorbeeld is : We zien dat de dichtvormen steeds ingewikkelder worden. De Rederijkers wilden hiermee o.a. hun vakmanschap demonstreren. In de dichtvormen die volgen gaan ze nog een stap verder.

 

Drinklied (Anthonis de Roovere)

 

Die gheen pluymen en can strijcken,

Die en dooch ter werelt niet.

Is hy aerm, hy sal niet rijcken,

Die gheen pluymen en can strijcken,

Alomme soe heeft hy tachterkijcken.

Hy wordt verschoven, waer men hem siet :

Die gheen pluymen en can strijcken,

Die en dooch ter werelt niet.

 

Die door de wereldt sal gheraken,(wie door de wereld wil geraken)

Die moet conne huylen metten honden.

Ende moet oock connen diverssche spraken, (verscheidene talen)

Die door de wereldt sal gheraken,

Hier waerheydt segghen, ende ginder missaecken, (liegen)

Vooren salven ende achter wonden. (van voor helen, en van achter verwonden)

Die door de wereldt sal gheraken,

Die moet connen huylen metten honden.

 

HET ACROSITICHON


 

Een acrostichon of naamdicht is een gedicht waarbij de eerste letters van de versregels een naam vormen.

 

Arbeyt beswaert sere

Nieuwe tijdinge goet

Nu elc onvervaert keere

Aldaer belijdinghe doet.

 

Besnijdinghe bloet

In dwaen sal,

Ja verblijdinghe goet,

Nu versmaen sal

Soetelic ontfaen sal.

 

DE RETROGRADE


 

Een retrograde of kreeftdicht is een gedicht waarvan de regels zowel van voor naar achter, als van achter naar voor gelezen kunnen worden.

 

Speciaal aan dit gedicht is dat we niet alleen een eindrijm hebben op het einde van elke regel, maar hetzelfde rijmschema vinden we ook terug in de eerste woorden van elke versregel. Alhoewel de dichtvorm moeilijker geworden is, heeft Spieghel hier toch de inhoud niet uit het oog verloren. Hij geeft net als Matthijs de Castelein in zijn Conste van Rhetoriken aan dat men de dichtkunst van de Rederijkers enkel goed onder de knie kan krijgen en er plezier aan kan beleven, door te oefenen: immers, oefening baart kunst.

 

H.L. Spieghel

 

Ontwaakt nu Geesten, oorboort deugd,

Maakt gedichten en konstig u verheugt,

Geprezen wordt gij, wil 't practiseren,

Veroorzaakt tijdkortinge, blijdschap en geneugt.

Staakt fantasijen, en bedrijft nu vreugd.

Verrezen is zij, konst kan floreren.

 

DE DOBBELSTEERTEN


 

Het gewone rijmschema met rijmwoorden achteraan werd te eenvoudig. Er kon ook ingewikkelder gewerkt worden. Zo kan men in plaats van één beklemtoonde lettergreep op het einde van een vers er twee laten rijmen. Dit noemt men een dubbelrijm of dobbelsteerten.

 

De const van Rethoriken (Matthijs de Castelein)

 

Eeuwelic moedt ghi int keitiuigh beuen sneuen

ende int Ethnats fel vier, vul wraken blaken.

Met hem, die der roo zee toe ghescreuen bleuen

Wille u Iuppiter een miserabel leuen geuen :

En nemmermeer dijns verdriets een slaken maken.

Altoos moedt ghy naer bedruckte zaken haken.

En weedt, twy is u met zulcken excesse pesse,

Om dat ick duer hu mijn liefste princesse messe.

 

DE BINNENRIJMEN


 

Ook het inlassen van een binnenrijm behoort tot de mogelijkheden om een rijmschema nog ingewikkelder te maken. Dan krijgen we in het midden van de versregels ook woorden die op mekaar rijmen.

 

De Castelein voegt er nog aan toe "Vindt dit in gheel baladen en halve", waarmee hij bedoelt dat de twee helften van elke versregel omgewisseld kunnen worden (vandaaar de hoofdletters halverwege de versregels).

 

De eerste regels luiden dan als volgt:

 

De const van Rethoriken (Matthijs de Castelein)

 

Tsy u wijfs en mannen. Die paeis cune hauwen,

Die doerloghe hantieren. Zy zyn alle Gods neuen,

Laedste alle bannen. Die twist node schauwen.

Die hen qualic regieren. Ick prijsse boven schreuen.

Zy Lucifers gheselle. Die hen vought tsine elcs vriend.

God verleene hem d'helle. Die daerme volcksin diend.

 

HET KETENDICHT


 

Bij een ketendicht of kettinggedicht worden de regels aan elkaar geketend door middel van een rijmwoord. Het slotwoord van de ene regel rijmt op het beginwoord van de volgende regel.

 

Hier wordt ook gewezen op het feit dat de Rederijkers deze dichtvorm niet hebben uitgevonden, maar dat zij voortbouwen op de kunde van de aude autheurs. Zonder die kennis zou een dichter dit niet weten, en ook niet kunnen.

 

De const van Rethoriken (Matthijs de Castelein)

 

Wy lesen dat Socrates wijs boven streuen,

Verheuen in zyn leuen ende vul practijken,

Tkijcken, der sterren hebbende begheuen,

Beneuen, den kinders vrueghd heeft bedreuen,

Ghebleuen, met hem lien zonder beswijcken,

Den rijcken, Scipio en Lelius van ghelijcken,

Vroem prijcken, latende zeer hooghe dijnghen,

Ghijnghen, steenkins rapen, danschen en sprijnghen.

 

HET ALDICHT


 

Bij het aldicht laten ze alle woorden rijmen.

 

De const van Rethoriken (Matthijs de Castelein)

 

Voort, zijt, niet, moe: wilt, my, saen, versinnen:

Hoort, zwijt, ziet, toe: stildt, wy, gaen, beghinnen.

 

HET SCHAAKBORD


 

Het schaakbord is een soort intellectuele Spielerei. Cees Buddingh schrijft in zijn Lexicon der poëzie: het schaakbord is een versvorm uit de Rederijkerstijd, waarbij in elk der vierenzestig vakjes van een schaakbord een regel wordt geschreven, die men op verschillende manieren kan lezen : van links naar rechts, van rechts naar links, van boven naar beneden, van beneden naar boven en diagonaalsgewijs; elke keer krijgt men een ander gedicht.

 

We geven het voorbeeld van het schaakbord van Matthijs de Castelein. Hijzelf zegt dat je er acht ende dertigh Baladen in terug kan vinden. Hij geeft ook de opdracht aan de lezer om die te zoeken: Zouct ende vindt hier, met staden, acht en dertigh Baladen. Er zijn verscheidene soorten balladen, doch de balladen die hier bedoeld worden zijn de balladen van achten. Dat zijn balladen met acht versregels en een rijmschema als volgt: ABABBCBC. Als we dan het schaakbord ter hand nemen, zien wij dat Cees Buddingh gelijk had.

 

Maar wie de mogelijkheden van de verschillende stukken van een schaakbord kent, kan er heel wat meer uithalen dan hij denkt. We willen u de opdracht geven om de balladen met bovenvermeld schema te zoeken in het schaakbord dat hier afgedrukt is en wensen u hierbij veel zoekgenot.

 

 

Matthijs de Castelein

 

Zouct, ende vindt hier, met staden,

Acht en dertigh Baladen.

DE GOUBLOEM


Koninklijke Rederijkerskamer

 

CONTACTADRES

 

Adres: Nieuwe Rolleweg 52, 1800 Vilvoorde

Email: info@degoubloem.be

Mobiel: 0475 910 383

KOMENDE ACTIVITEITEN

 

  • Vilvaudeville
  • De klucht der vergissingen
  • Ommegang Brussel
  • Pension van lichte zeden

Officiële website van de Koninklijke Rederijkerskamer De Goubloem vzw

0445.740.239 - BE65 4347 2554 0196 - KREDBEBB

Jon Igartua y Porres, Nieuwe Rolleweg 52, 1800 Vilvoorde - 0475 91 03 83

facebook - mail - web - webmaster - privacy

© Copyright. Alle rechten voorbehouden. Webdesign: Ongi Etorri