Rederijkers

REDERIJKERIJEN


Deze teksten kwamen tot stand in samenwerking met Francis D'haene in opdracht van het Verbond van de Kamers van Rhetorica Vlaanderen - Nederland.

 

De poëzie van de Rederijkers kan opgedeeld worden in sotte, amoureuze en vroede verzen. Naar vorm zijn er een heel groot aantal verschillende soorten gedichten gemaakt.

 

Matthijs de Castelein maakt in zijn Const van Rhetoriken, een didactisch handboek over de manier waarop poëzie geschreven moet worden, een overzicht van tal van mogelijke vormen waarin een gedicht gegoten kan worden: van de meest eenvoudige tot de meest ingewikkelde en uitzinnige structuren worden in dit boek behandeld. We 

INLEIDING


De VZW Verbond van de Kamers van Rhetorica Vlaanderen-Nederland heeft het initiatief genomen een informatiepakket samen te stellen over de Rederijkerij. Het pakket richt zich tot al wie in de Rederijkerij geïnteresseerd is.

 

De bedoeling is de Rederijkerij uit de vergeethoek te halen en aan een groter publiek kenbaar te maken. In het onderwijs krijgen de Rederijkers slechts een klein plaatsje toebedeeld en voor het grote publiek zijn ze zo goed als onbekend. Het Verbond wil hier zorgen voor een noodzakelijke aanvulling door de cultuur van de Rederijkers een ruimere plaats te geven.We bieden een stukje theorie en een aantal teksten die een ondersteuning moeten zijn voor wat in het theoretische gedeelte uitgelegd wordt.

 

De situering in de tijd, de naam, de herkomst, de organisatie en structuur, de activiteiten, de teksten en de evolutie van de Rederijkerij komen aan bod.Het initiatief wil duidelijk stellen dat de Rederijkers, ook vandaag de dag, meer zijn dan taalkunstenaars of folkloregroepen.

Rederijkers willen cultuur uitdragen.

SITUERING EN ONTSTAAN


We beginnen ons verhaal over de Rederijkerij met een probleem. Wanneer zijn de Rederijkers ontstaan? Tot nu toe kan niemand er een juiste datum op plakken, net zoals dat het geval is bij het ontstaan van gelijk welke literaire stroming of richting in een andere kunstvorm, bvb de schilderkunst. De Rederijkerij is een stroming die gegroeid is en plots is die daar, pril geboren, als een baby die een hele tijd in de moederschoot gegroeid heeft. We kunnen enkel aangeven rond welke periode de Rederijkerij ongeveer ontstaan is. Daarom geven wij eerst een situering in de tijd.

 

De Honderdjarige Oorlog is officieel aangevangen in 1337 en feitelijk geëindigd in 1453. Het einde van de feodale en dynastieke strijd situeert zich ergens in het midden van de 15de eeuw. Met als gevolg dat de middeleeuwse samenleving werd ontwricht en tevens sociale verschuivingen met zich mee bracht. De middeleeuwse samenleving was verdeeld in drie sociale lagen: de geestelijkheid, de adel en de derde stand. De eerste twee domineerden de samenleving.

 

De geestelijkheid vertakte zich in meerdere kloorsterorden waar de intellectueel een plaats vond om te werken en kennis te vergaren. Hierbij denken we aan de bibliotheken vol antieke werken (graag verwijzen we naar De naam van de roos van Umberto Eco, waarin dit duidelijk geïllustreerd wordt). Ze discussieerden vaak over theologische onderwerpen.

 

De edellieden behoorden tot een ridderorde en beoefenden de krijgskunst en rivaliseerden op riddertornooien. De derde stand splitste zich op in de bekende ambachtsgilden en zorgde voor volksvermaak. Na dit chaotische tijdperk (ook wel eens de Waanzinninge 14de eeuw genoemd) gebeurde het: omstreels 1450 werd een zeer belangrijke uitvinding gedaan, nl. de boekdrukkunst. Die zal de tijd die volgt ingrijpend wijzigen en de verspreiding van het nieuwe gedachtengoed aanzienlijk bepalen.

 

De meningen over de oorsprong van de Rederijkerskamers lopen vaak nogal uiteen. Er zijn literatuuronderzoekers die beweren dat de Kamers het licht zagen in Italië, anderen houden het op Noord-Frankrijk als de bakermat van de rethorica. Men is het er wel over eens dat de eerste Rederijkerskamers via het zuiden ons land zijn binnengewaaid. Deze stelling wordt mede bevestigd door het feit dat de toenmalige Rederijkers nogal graag Franse woorden en uitdrukkingen gebruikten. En dan gaat men met gemengd succes gaan zoeken bij de Franse Confréries de la Passion die ontstonden voor de beroemde passiespelen, of bij de Puys d'Amour uit de 14de eeuw, die zich vooral inlieten met lyrische poëzie. Eén van de vaak beoefende dichtvormen bij de Rederijkers nl. het refrein, vertoont ook duidelijke overeenkomsten met de 14de eeuwse Franse ballades. De eerste Vlaamse Rederijkerskamers zijn ook ontstaan in het zuiden en zuidwesten van Vlaanderen om zich later via Oost-Vlaanderen over Brabant en Antwerpen naar de noordelijke Nederlanden te verspreiden. In de Zuidelijke Nederlanden werd ook beweerd dat ze hun oorsprong vonden bij de Schuttersgilden die al bestonden vanaf het begin van de 13de eeuw. Oorspronkelijk waren dat groeperingen van stadswachters die instonden voor de bewaking van de stad. Later zou elke schuttersgilde een eigen literaire afdeling krijgen. In tijden van geringe militaire activiteit hielden de leden van de schuttersgilde zich bezig met toneel en ander volksvermaak. De Rederijkerskamers en de schuttersgilden bleven een tijdlang naast elkaar bestaan. Later gingen ze zelfs samenwerken: de Rederijkers namen dan het artistieke gedeelte van de schuttersfeesten voor hun rekening. De Rederijkerskamer werd het organisme dat instond voor ontspanning en cultuur.Bij het ontstaan van de Rederijkerskamer De Fonteyne uit Gent in 1448 wordt een motivering gegeven voor het oprichten van het gezelschap. Het is een gheselscap van ghenoughten  (=geneugten) dat voor recreatie en aangenaam tijdverdrijf wil zorgen, om de zondige verveling te verdrijven.

 

Welke oorsprong ze ook hebben, zeker is dat de Rederijkerskamers, die in onze gewesten tot stand kwamen vanaf de 15de eeuw, een eigen karakter hadden en onafhankelijk waren van de schuttersgilden. Hun structuur en huisreglement was wel gespiegeld aan dat van schuttersgilden.

 

Dirk Coigneau vertaalde volgende tekst van Matthijs de Castelein naar hedendaags Nederlands.

 

Dees const, daer op ruist al once intencie,

Rijst duer arbeid ende diligentie,

Duer groote experientie, ende studerijnghe,

Vele exercitien, groote tracterijnghe :

Dijn worden moetty wijsselic ende by rade binden,

Met evolutien ende recolerijnghe.

Die dit niet en doet, sal dees const spade vinden.


Met retorische zwier wordt hier

het belang gedemonstreerd door te wijzen

op het nut van verlustigende bezigheden

als wapen tegen de melancholie en haar

kwalijke gevolgen

op lichaam en geest

en als middel tegen de ledigheid,

die als moeder van allerlei kwaad wordt

beschouwd.

DE NAAM


De naam Rederijker zou een verbastering zijn van het Franse rhétoriqueur en een afleiding van het Latijnse retorica.

 

Rhétoriqueur werd voor het eerst door de Franse dichter Ronsard gebruikt, maar dan wel in een spottende betekenis : als woordenkramers, taal zonder veel inhoud.

 

Als we het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT) openslaan op zoek naar de betekenis van het woord retorica, vinden we de volgende mogelijkheden:•

  • redekunst, kunst van het voordragen van het woord, leer der kunstmatige welsprekendheid. Welsprekendheid is de techniek van het schrijven,
  • dichten en voordragen die alleen door oefening, studeren en wijsheid kan verworven worden.
  • het goed kunnen zeggen en daarmee een publiek kunnen boeien: "De woordkunst dient om standpunten over te brengen, om de bevolking één en ander te leren."
  • de redekunst en dichtkunst in het bijzonder die der Rederijkers onder invloed van klassieke voorschriften.
  • het verstand, het redeneervermogen dat het enige houvast verschaft om weerstand te bieden aan de verleiding.

DE STRUCTUUR


Aan het hoofd van de Kamer stond de Prince of de Keizer. Dit was de man die door zijn hoge stand en zijn sponsoring beschouwd werd als de beschermheer van de Kamer. Deze behoorde meestal tot de hogere adel en hij kon het zich ook veroorloven waardevolle prijzen te schenken.

 

Voorbeeld: Filips de Schone was de Prince van de Brusselse Kamer Den Boeck. Prins Albert (onze huidige Koning) was de Prince van de Rederijkerskamer Sint-Amandus uit Leupegem. Het was dan ook de gewoonte om de gedichten (in het bijzonder de refreinen) aan hem op te dragen. De laatste strofe van een refrein vangt vaak aan met het woord Prince en wordt ook zo genoemd.

 

De Hoofdman leidde meestal de vergaderingen, maar dan zat zijn taak er zowat op.

 

De Fiscaal of Breukmeester, ook wel Tresorier genoemd, en op heden spreken we van de Penningmeester van de vereniging, stond in voor de boekhouding.

 

De Griffier was de secretaris van de Kamer.

 

Dan heb je nog de Dekens, meestal geestelijken die in de raad van bestuur van de Kamer zetelen en waarvan de Proost de geestelijke leider was.

 

Het belangrijkste lid van de Kamer was de Factor. Dit was de figuur die het meest te doen en het meest te zeggen had in de vereniging. Hij stelde in rijmvorm de briefwisseling op, zowel die naar de organisatoren van de feesten als die naar de stadsbesturen. Het gevolg was dat de gemeentelijke overheden zich dan ook genoodzaakt zagen om in dichtvorm te antwoorden. Hij schreef gelegenheidsgedichten en toneelstukken. Hij was tevens de regisseur van de stukken en de decorontwerper. Hij zorgde voor de kostumering. Hij leidde nieuwe leden op en gaf les in literatuur en dichtkunst. Met andere woorden de Factor was de spilfiguur, het hart en de ziel van de Kamer. Hij was het ook die bekendheid verwierf en de verdiende lof kreeg toegewuifd. Meestal behoorde hij tot de intellectuele groep van klerken.Hij werd in de meeste gevallen bezoldigd door de stad of de gemeente. Aan het einde van de 15de eeuw had de factor zoveel aanzien dat het bijna een noodzaak was dat elke stad die zichzelf respecteerde diende te beschikken over een stadsrederijker in casu, een factor.

 

De rol van de Cnaep mag ook niet uit het oog verloren worden. Hij was de boodschapper van het gezelschap en had drie welomschreven taken. Hij moest ervoor zorgen dat de Ghesellen geregeld vergaderden, Hij maande hen aan om op tijd te komen en op tijd hun bijdrage te betalen, Hij droeg ook de uitnodiging voor de wedstrijden rond.

 

De Sorgers of leden waren de burgers: een brede laag van de bevolking dus die deelnam aan de activiteiten van de Kamer. Deze leden behoorden echter niet tot de laagste lagen van de bevolking. Handarbeiders werden uit de Kamer geweerd. Het waren de vooraanstaande leden van de ambachtsgilde die lid waren van de Rederijkerskamer waardoor zij oorspronkelijk een elitaire vereniging was. Van Anthonis de Roovere uit Brugge (1430-1482) wordt gezegd dat hij een metselaar was. Doch in die tijd stond metselaar eigenlijk voor architect, een vooraanstaand en ontwikkeld burger dus. Het was zeker geen handarbeider die aan dichtkunst gaat doen.

 

Om lid te worden van een Rederijkerskamer moest men van goed zedelijk gedrag zijn en een borg kunnen stellen. De aanvraag om als lid toegelaten te worden, moest natuurlijk in mooie poëtische verzen geformuleerd zijn. En men moest jaarlijks zijn lidgeld betalen. In de Noordelijke Nederlanden is dit elitaire karakter er in de loop der jaren sterk afgenomen.

 

Uit De Westlandse Rederijkerskamers uit de 16de en 17de eeuw van Van Boheemen en Van der Heijden kunnen we de samenstelling van de leden van de Kamer De Lier uit de omgeving van Delft vrij compleet achterhalen.

 

Uit het ledenbestand kunnen we duidelijk opmaken dat de Rederijkerskamers na verloop van tijd geen elitaire vereniging meer waren. We zien een samenwerking tussen de man uit de straat, de stielman en de bestuurders, die tot de hogere rang behoren. De arbeiders en boeren waren zich ervan bewust dat de Rederijkerskamers cultureel één en ander te bieden hadden.

 

Rederijkerskamer DE LIER (omgeving Delft)

 

Jochem Adriaenz. was strodekker

Jan Claesz. was schipper

Adriaen Cornelisz. was knecht van schout Pijnacker

Willem Cornelisz. Rodenburgh was timmerman

Willem Cornelisz. Cock knapte karweitjes op in de Lierpolder en was landarbeider geweest

Cornelis Joostenz. verdiende in de zomer de kost met spitten en graven en 's winters met het slachten van vee

Elias Willemz. was metselaarsknecht

 

Alleen Gerrit Jansz. Romenburgh en zeker Cornelis Willemsz. Buijs vander Hooff zou men notabelen kunnen noemen

Gerrit Jansz. Romenburgh was in 1606 bode en zal in 1608 de functie Substituut-Schout vervullen

Cornelis Willemsz. Buijs vander Hooff is in 1604 Secretaris van De Lier en in 1606 is hij Schout

DE UITERLIJKE KENMERKEN


het devies

 

Iedere Kamer heeft behalve een naam ook een devies of spreuk waar een bepaalde betekenis aan vasthangt : het devies. Een aantal van de oude Kamers bestaan nu nog en houden nog altijd hetzelfde devies aan.

 

het blazoen

 

Iedere Kamer heeft ook een wapenschild : een embleem met symbolische tekens en vaak ook heraldische tekens. Hier ziet u het rebusblazoen van de Lierse Rederijkerskamer De Groeyende Boom. Het wapenschild bovenaan is dat van het Koninklijk Kapittel; midden links staat het schild van Florens van Mechelen, Hoofdman van de Kamer; rechts dat van Gaspar Schetz, Prins van de Kamer; onderaan bevindt zich het wapen van de stad Lier.Elke afbeelding uit de rebus geeft een woord aan om de oplossing te vinden. We zetten de woorden na mekaar en komen tot de onderstaande oplossing. Wat zoveel betekent als : "Wil goddelijke schatten verzamelen en onze Prins eren door de rethorica. Schuw nijd en wil liefde baren met De Groeiende Boom, dames en heren" Dat ze bijzonder gesteld waren op uiterlijk vertoon blijkt vooral uit de bijzondere aandacht die ze hadden voor hun kledij en hun kentekens. Veel Rederijkerskamers hadden ook een altaar in de kerk als teken van hun geloof en ook als teken van hun uitdrukkelijke aanwezigheid en betrokkenheid bij alles wat het maatschappelijke leven aanging.

 

De Eglantier - In liefde bloeijende (Amsterdam - 1517)

De Fonteyne - Als past bi appetite (Gent - 1448)

De Goubloem - In liefden groeyende (Vilvoorde - 1493)

De Pellicaen - Trou moet blijcken (Haarlem)

De Rhetorike van den Heylighen Gheest - Pax Vobis (Oudenaarde)

De Roose - Minne ist fondament (Leuven)

De Violieren - Wat jonsten versaemt (Antwerpen - 1400)

Jhesus met der Balsembloem - Doorsiet den grondt (Gent)

‘t Mariacransken - Minnelijk accoort (Brussel)

 

 

God-lijke schatten wilt vergaren,

Ende deur Rethorica onzen Prince eeren,

Schouwt nijt, wilt liefde baren

Met 't groeyende boomken, vrouwen en heeren.

BIBLIOGRAFIE


LEXICON

Het Verbond van de Kamers van Rhetorica Vlaanderen - Nederland wil de rederijkerij meer bekend maken zowel in Vlaanderen als in Nederland. Ieder jaar organiseert het Verbond een congres waarbij één of ander aspect van de rederijkerij nader toegelicht wordt door verscheidene sprekers. Ook wordt er ter gelegenheid van dit Congres - hoe kan het anders - een toneelwedstrijd gehouden waaraan verschillende Kamers deelnemen. Het Verbond heeft ook een eigen tijdschrift Ons Camers van Rhetorike dat driemaandelijks verschijnt. In elk nummer wordt een deel van de geschiedenis van de rederijkerij toegelicht en komen verschillende onderwerpen over de rederijkerij aan bod.

 

Voor meer informatie over Het Verbond en zijn activiteiten of over de Rederijkerij kunt u altijd terecht op volgend adres:

 

Verbond van de Kamers van Rhetorica vzw.

Arduinkaai 28

1000 Brussel

www.rederijkers.org

 

Voorzitter

Johan De Rijck

Sint Gabriëlstraat 120

1770 Liedekerke

johanderijck1952@gmail.com


Redactie

Bauke van Halem

’t Haantje 2

4854 MV Bavel

bvh@vanhalem.nl


Secretariaat

Nicole Gits

Louis Callebautstraat 17

9320 Nieuwerkerken

053/77 87 27

wilfried.lissens@skynet.be

Brandt Corstius, J.C.

Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. - Prisma nr. 399 

Brink, J. Ten

Geschiedenis der Nederlandse Letterkunde- - Amsterdam - 1897 

Coigneau, D.

Rederijkersliteratuur in: Historische letterkunde - Facetten van vakbeoefening - Onder redactie van M. Spies Groningen - 1984 - p. 34-37 

de Castelein, M.

Diversche Liedekens - Mechelen - 1943 

De Const van Rhetoriken - Oudenaarde - 1986 

Huizinga, J.

Herfsttij der middeleeuwen - Studie over levens- en gedachtenvormen der 14de en 15de eeuw in Frankrijk en de Nederlanden - Haarlem - 1952 

Kalff, G.

Geschiedenis der Nederlandse Letterkunde - Groningen - 1906 

Knuvelder, G.

Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse Letterkunde - Deel I - 's Hertogenbosch - 1970 

Kuijpers, J.

Beknopte geschiedenis van de Nederlandse letterkunde - Antwerpen - 1963 

Mak, J.J.

De rederijkers - Amsterdam - 1944 

De gedichten van Anthonis de Roovere - Zwolle - 1955 

Pleij, H.

Nederlandse literatuur van de late middeleeuwen - Utrecht - 1990 

De sneeuwpoppen van 1511 - Literatuur en stadscultuur tussen middeleeuwen en moderne tijd - Amsterdam - 1988 

Steenbergen, J.

Het Landjuweel van de rederijkers - Leuven - 1950 

Van Mierlo, J.

Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden - Antwerpen - s.d. 

Nederlandse literatuur, een geschiedenis - Onder redactie van M.A. Schenkeveld e.a. - Groningen - 1993 

Van Nuffel, H.

Marcus van Vaernewyck - in : De autotoerist - nr. 23 - nov. 1978 

Spectrum van de Nederlandse Letterkunde - Diverse delen - Antwerpen - 1978 

Van Rijssele, C.

Spieghel der Minnen 

Van Stijevoort, J.

Refereinenbundel 

Woordenboek der Nederlandse Taal

DE GOUBLOEM


Koninklijke Rederijkerskamer

 

CONTACTADRES

 

Adres: Nieuwe Rolleweg 52, 1800 Vilvoorde

Email: info@degoubloem.be

Mobiel: 0475 910 383

KOMENDE ACTIVITEITEN

 

  • Vilvaudeville
  • De klucht der vergissingen
  • Ommegang Brussel
  • Pension van lichte zeden

Officiële website van de Koninklijke Rederijkerskamer De Goubloem vzw

0445.740.239 - BE65 4347 2554 0196 - KREDBEBB

Jon Igartua y Porres, Nieuwe Rolleweg 52, 1800 Vilvoorde - 0475 91 03 83

facebook - mail - web - webmaster - privacy

© Copyright. Alle rechten voorbehouden. Webdesign: Ongi Etorri